“Solanum tuberosum”

Aardappelen vallen onder de nachtschadefamilie,
De aardappel is een bladrijk gewas, waarvan we de verdikte ondergrondse stengel eten
(de knollen) . Die bevatten veel zetmeel. De eigenlijke vruchten van de aardappel zijn de
groene bessen, die op kleine tomaatjes lijken en het giftige solanine bevatten. Ook in de
knol, vlak onder de schil zit een groen laagje wat solanine bevat, in normale knollen gaat
het om ongevaarlijke hoeveelheden maar aardappelen die boven de grond komen krijgen
licht en vormen meer solanine. Ze worden dan groen en die mag je niet meer opeten.
Teeltwijzen:
Aardappelen worden bij ons het hele jaar door wel gegeten, daarom zorgen we voor een
vroege en late oogst.
De vroege rassen hebben een kortere groeiperiode (90 tot 100 dagen) en een
kleinere opbrengst. De meesten bewaren goed tot nieuwjaar, daarna zullen ze
doorschieten. Regelmatig controleren en scheren verwijderen.
ze kunnen in de grond vanaf half maart. Dat is een gokje want het loof sterft
af bij -1,5 C. Door het loof af te dekken met met vliesdoek kun je de teelt
vervroegen.
Aardappelen geplant begin april, halen hun achterstand bijna helemaal in en
zijn oogstzekerder. Je kunt ze ook voorkiemen.
De halfvroege worden zo als vroege aardappelen gekweekt, maar zijn later
oogstklaar en langer te bewaren.
De half late horen thuis bij de late teelt maar ze zijn wat vroeger te oogsten. Half
late aardappelen zijn afhankelijk van het ras tot in het voorjaar te bewaren.
Late rassen hebben een groeiperiode van 5 of 6 maanden, hebben een hoge
opbrengst en je kunt ze tot diep in het voorjaar bewaren.
Rassen :
Frieslander: zeer vroeg, vastkokend en goede smaak, goede phytophthoraresistentie in
de knol en resistent tegen aardappelziekte,
Vitabella : vroeg, is een smaakvolle vastkokende ovale aardappel die ook lang bewaard
kan worden
Biltstar: half laat, bekend om zijn rode schil, gele vlees en zeer goede vrij vastkokende tot
licht kruimige smaak.
Texla: laat, is geschikt voor zandgrond, het is een redelijk vastkokende aardappel en zeer
lang houdbaar, ook is deze aardappel resistent tegen Phytophthora in loof en knol.
En zo zijn er heel veel verschillende rassen aardappels, de poters worden in de polders
gekweekt omdat ze in deze streken makkelijker virusvrij kunt houden door de zeewind.
Deze teelt gebeurt onder zeer strenge controle vanwege de overheid, zowel op ziekten als
op planten en rooien.
Bemesting:
Hoewel aardappelen op alle gronden gekweekt kunnen worden verkiezen ze licht zure
grond pH5 in zandgrond. Het zijn geen gulzige planten, de kalium behoefte is wel relatief
hoog in vergelijking met de stikstofbehoefte, als organische bemesting werken we het
liefst met rijpe compost en verteerde stalmest, verse stalmest en jonge compost kan wel
maar dan voor de winter.
Standplaats:
Een vrucht wisseling van 3 jaar houden we aan op het complex van de zandige wijk, dat
is ook wel nodig om de kans op aardappelmoeheid te beperken. Men zegt wel van heb je
een nieuwe tuin dan eerst aardappels poten, want ze laten een goede structuur achter en
als je de onkruidgroei bij houd heb je na het rooien een schone en mooie grond voor de
nateelt.
Pootgoed:
Het gekeurde pootgoed word gesorteerd volgens de afmetingen van de aardappelen.
Maat 28-35 mm is de interesantste om dat dit pootgoed voldoende ogen (scheuten)
heeft,
Kleinere maten bv 25-35mm of 25-28mm hebben minder ogen dus minder stengels maar
wel dikkere aardappels
Voor grote maten geld het omgekeerde, meer scheuten dus meer stengels en meer
aardappelen en een grotere plantafstand om meer aardappels te bekomen.
Voorkiemen:
Als je vroege pootaardappels hebt kun je ze voorkiemen, dit geeft ongeveer een kleine 2
weken voorsprong.
Dit doe je door ze 4 tot 6 weken in bakjes te leggen in veel licht maar geen zon. Dit bij een
temperatuur van ongeveer 10 graden. Zo krijg je mooie korte scheuten, krijg je langere
scheuten dan hebben ze te warm en/of te donker gestaan.
Planten:
Aardappelen houden van losse grond met veel lucht erin. Kort voor de teelt maak je de
grond dus goed los, dat vergemakkelijkt het planten.
Zet de gekiemde planten af en toe buiten om te wennen aan de buitentemperaturen maar
niet in de zon, en laat ze niet nat regenen.
Aanaarden:
Aard de planten aan als ze ongeveer 15 cm groot zijn, dit kan heel eenvoudig met een
hark maar ook met een aanaarder. Aanaarden heeft veel voordelen, het bevordert de
ondergrondse stengelvorming, het bevordert de vroege planten tegen nachtvorst en het
voorkomt dat de aardappels in het licht komen en groen worden. Ook warmt de grond
sneller op in de rug en de regen word sneller afgevoerd. En je hebt veel minder last van
onkruid en al helemaal als je het later nog een keer doet.
Ziekten en plagen:
Naast de aardappel plaag Phytophthora infestans waar gelukkig al veel rassen resistent
tegen zijn is er nog een plaag die heel vervelend kan zijn en hele velden met aardappels
kan verwoesten. Namelijk de Coloradokever, al jaren een ware plaag op de moestuinen.
Het is een kleine kever van ongeveer een centimeter lang, het vrouwtje legt 500 tot 800
oranje gele ovale eitjes in groepen van 15 tot 80 op de onderzijde van het blad. Na 4 tot 8
dagen verschijnen de rode larven die vraatzuchtig als ze zijn het loof helemaal kaal
kunnen vreten. Het beste kun je regelmatig even door de reien lopen en als je ze ziet
gewoon even doodknijpen.
De Coloradokever (leptinotarsa desemlineata)

